|
De benadering die wij kiezen om het dierlijk gedrag te analyseren is een tamelijk nieuwe waarbij we drie soorten diergedrag onderscheiden. Te weten: zoogedrag, reservaatgedrag en wildlifegedrag.
- Zoogedrag
Dit gedrag laat zich het beste omschrijven als het gedrag dat dieren in gevangenschap vertonen en wat absoluut niet in de vrije natuur voorkomt. De dieren moeten hun gedragspatroon aanpassen aan hun situatie met de nodige beperkingen c.q. verlichtingen. Zo kunnen roofdieren niet meer jagen in gevangenschap en verdwijnt dit gedrag. Jongen moeten leren jagen van hun moeder. Ook de mogelijkheid om via dit foerageergedrag energie kwijt te raken verdwijnt. De dieren gaan dus voor deze beperkingen alternatieve gedragingen ontwikkelen.
- Wildlifegedrag
Dit is het gedrag dat de dieren in de vrije natuur laten zien en wat zich ontwikkelt onder evolutie, druk en milieuomstandigheden. Kortom het gedrag dat iedereen kent van alle natuurfilms en wat algemeen als optimaal wordt beschouwd.
- Reservaatgedrag
Dit is gedrag dat ontstaat bij dieren die in grote ruimten worden gehouden waar ze kennelijk een volledig wildlife-leven leiden maar waarbij toch een aantal aanpassingen binnen het diergedrag worden gemaakt. Als voorbeeld kan het verdwijnen van de geboortegolf dienen bij de gnoe en de zebra. Dit is een gevolg van het niet meer kunnen migreren waarmee ook het voordeel van het gelijktijdig werpen is verdwenen. Ook het gebruik maken van hekwerk door leeuwen om de prooi tegenaan te drijven is hier een voorbeeld van.
Zoo- versus wildlifegedrag: een mogelijke sleutel
Slechts het besef van het grote verschil in beide gedragsoorten geeft de mogelijkheid een dieper inzicht in de werkelijke materie van het geestelijk dierenwelzijn te krijgen.
Een dier dat in gevangenschap geboren is, zal niet weten hoe zijn eigen habitat in de vrije natuur eruitziet, het zal slechts weten dat er kooien bestaan. Eveneens zal het feit dat met name katachtige roofdieren van nature lui zijn meespreken in onderwerpen zoals kooigrootte etc. Moeilijk in te schatten en te testen onderwerpen, zoals bijvoorbeeld het cognitieve vermogen van dierensoorten, zal dan een stuk vernuft in benadering behoeven.
Zo is bijvoorbeeld vuur een onderwerp, waar het antropomorfistisch denken van de tegenstanders van dieren in het circus op inspeelt. Dieren in gevangenschap echter hebben helemaal geen besef van het gevaar van vuur (Bosman † okt 2000). Ze worden dit pas gewaar op het moment dat ze negatieve ervaring in combinatie met vuur meemaken. Vervolgens zal die angst daarna aanwezig blijven. Dit gaat dus net zo als bij de mens. Ook de mens zal het gevaar van vuur moeten leren. Het onderwerp cognitievermogen speelt bij dieren dus een erg belangrijke rol. Alleen wanneer dat vermogen is aangetoond, kunnen we de impact van sommige handelingen overzien. Als je vanuit dit standpunt redeneert, kom je vaak tot heel andere antwoorden op vragen dan wanneer je je antropomorfistisch, of erger nog antropocentrisch, opstelt.
Om tot richtlijnen voor het houden en gebruiken van dieren in een circus te kunnen komen zal dus uitgegaan moeten worden van dit zoogedrag, omdat er in het circus geen gebruik meer wordt gemaakt van dieren rechtstreeks uit de vrije natuur. Alle andere benaderingen zouden het dier tekort doen. Het feit dat slechts weinig mensen het hierboven beschrevene beseffen, geeft aan dat er ook slechts zeer weinig mensen zijn die in deze geest met dieren werken. Een dier opjagen, angst inboezemen en/of zijn karakter breken zijn allemaal zaken die binnen de huidige ideeën rond dressuur niet meer passen, maar nog wel door sommigen worden gehanteerd (Engelse methode). Respect voor het cognitieve vermogen van het dier zal een eerste vereiste zijn om überhaupt met een dier te mogen werken (Hagenbeck †).
Waarop worden de huisvestingsmaten gebaseerd? Zoals gezegd is het ten behoeve van de huisvesting van dieren in gevangenschap noodzakelijk om te komen tot een soort basisformule waarop je afmetingen kunt funderen. Hiertoe kun je zoals reeds gezegd geen vergelijkingen maken met de natuurlijke situatie en zul je dus een grondslag moeten kiezen. Ook kun je het niet aan onderzoek ophangen daar dit over het algemeen slechts gedaan is voor echte productiedieren. Het streven zou moeten zijn dat ruimte geen stress oplevert, het dier verblijft er ten slotte het grootste deel van de dag. De vraag is dan ook: wat veroorzaakt stress? Iedereen weet dat je een dier nooit in een hoek moet drijven omdat je dan niet meer weet wat er gebeurt. De reden hiervan is de angst en het niet meer kunnen vluchten. Zolang je een dier dus de ruimte geeft om te vluchten zal het dier voorspelbaar blijven. Dat wil zeggen dat het dier de situatie onder controle heeft. Dit geldt bij dieren die angst hebben voor mensen, iets wat niet voor zou mogen komen bij dieren waarmee gewerkt wordt. Uiteraard kunnen die dieren wel angst hebben voor onbekenden of onbekende situaties. Ook kunnen onderlinge conflicten lijden tot vermijdend gedrag. Bepalend voor een goede afmeting van een dierverblijf is dan ook de vluchtafstand (Van der Valk). Want weten we de vluchtafstand dan weten we welke ruimte minimaal beschikbaar moet zijn om de controleerbaarheid voor het dier in stand te houden en dus stress te voorkomen. Hierbij moeten we gaan rekenen met de vluchtafstand en de lengte van het dier. En daaromheen dus een cirkel trekken om te bepalen hoeveel m2 één dier nodig heeft. Vertaald naar een formule krijg je dan πr2 waarbij r de vluchtafstand + de lengte van het dier is. Voor ieder dier extra moet dan de helft van deze oppervlakte worden toegevoegd. Het oppervlak moet dusdanig worden uitgezet dat het minimaal 3x de lengte van het dier bij 2x de lengte van het dier beslaat. Dit om goede beweging te garanderen. (Dit geldt voor jagers en niet voor grazers natuurlijk en is het absolute minimum.)
Hoe te bereiken
Goede scholing op het gebied van dierendressuur, zodat voorkoming van stress bereikt kan worden middels o.a. voorspelbaarheid, is een vereiste binnen onze zienswijze (Schilder). Scholing waar niet alleen techniek van dressuur wordt bijgebracht maar waar ook dierpsychologie, wildlife- en zoogedrag hoog in het vaandel moeten staan (Ramirez). Naast een dergelijk vereiste is het eveneens duidelijk dat er met adequaat materiaal gewerkt moet worden, zo geconstrueerd dat het geen lestel aan het dier kan veroorzaken. Dit geldt voor de te gebruiken transportmiddelen maar ook voor de benodigde rekwisieten. Dit zijn aangelegenheden die binnen een te verstrekken vergunning vastgelegd moeten worden. Een constant bereikbare veterinaire zorg dient naast voedingskwaliteit eveneens binnen dezelfde vergunning opgenomen te worden.
We pleiten bij het houden van dieren in circussen voor een regelgeving die voor een ieder controleerbaar is in het belang van de geestelijke mogelijkheden voor bepaalde diersoorten:
- Diplomering van zowel presentatoren als mede de trainers en verzorgers van de dieren en
- één (Europese) vergunning waarin nauwgezet omschreven is wat betrokkene mag en moet.
In de vergunning, die verstrekt zal moeten worden door een overheidsinstelling, dient eigenlijk net zo gehandeld te worden als bij het verkrijgen van een milieuvergunning. De aanvraag maakt deel uit van de vergunning en geldt slechts alleen voor dieren en situaties zoals aangevraagd (Van der Valk). Drie jaar niet gewerkt conform de aanvraag draagt zorg voor het feit dat de dompteur/dresseurvergunning ingetrokken wordt et cetera et cetera.
|