English English
Deutsch Deutsch
Français Français
Gedragscode
Art. 1 Begripsomschrijving

In verband met de gedragscode en de daarop berustende bepaling wordt verstaan onder:

a) 'In- en uitheemse diersoorten' alle diersoorten, anders dan honden, katten en landbouwhuisdieren.
b) 'Opvangcentrum' een professioneel geleide, non profit organisatie in stichtingvorm die beschikt over voldoende tijd, ruimte en deskundigheid voor de opvang van in en/of uitheemse diersoorten, met als na te streven gevolg herplaatsing, repatriëring of restocking voor die dieren die daarvoor in aanmerking komen.
c) 'Biologische behoeften'.
1) 'Primaire biologische behoeften' behoeften waaraan minimaal moet worden voldaan om het dier fysiek in leven te houden.
2) 'Secundaire biologische behoeften' door gevangenschap ontstane biologische behoeften, zoals veterinaire voorzieningen het kunstmatig nabootsen van de oorspronkelijke klimatologische omstandigheden.
d) 'Sociale behoeften' behoeften waaraan moeten worden voldaan in het kader van de soortspecifieke sociale structuur van het dier in zijn oorspronkelijke leefomgeving;
e) 'Ethologische behoeften' descriptieve behoeften van het dier waaraan moet worden voldaan om zijn natuurlijke gedrag, ondanks de beperkingen van zijn gevangenschap zo goed als mogelijk tot zijn recht te laten komen.
f) 'Huishoudelijk reglement' is een voor een opvangcentrum specifiek document wat als aanvulling geldt op de gedragscode en wat handelt over interne en specifieke voor de situatie van dit opvangcentrum geldt.
g) 'Protocol' gestructureerde beschrijving van een specifiek bedrijfsproces.
h) 'Noodopvang' het tijdelijk steun geven van een opvangcentrum door middel van het opvangen van dieren die normaal gesproken, gezien de specialisatiedoelstelling naar diersoort(en), door een ander opvangcentrum worden gehouden.
i) 'Faunavervalsing' is het plaatsen van een dier in een habitat waar het van naturen niet thuishoort.
j) 'Genen vervalsing' is het plaatsen van een dier in een reeds aanwezige populatie in de vrije natuur, terwijl de genen van dit dier niet overeenkomen met de genenstructuur van die reeds aanwezige populatie.
k) 'Zoönosen' zijn ziekten waarvan het dier drager kan zijn en die overdraagbaar zijn op mensen.
l) 'Herplaatsing' het overbrengen van dieren vanuit een opvangcentrum naar een andere instelling die op een verantwoorde manier voor een meer definitieve bestemming kan zorgdragen.
m) 'Repatriëring' het terugzenden van een dier naar de klimaatzone van herkomst, waar het dier zal worden opgevangen in een opvanginstelling, met als mogelijk gevolg reïntroductie of restocking in de regio van herkomst.
n) 'Reëntroductie' het uitzetten van dieren in een gebied waar deze vroeger van naturen voorkwamen, maar ze door toedoen van de mens of door andere oorzaken zijn uitgestorven.
o) 'Restocking' het uitzetten van dieren in een gebied waar deze reeds van naturen voorkomen, waarbij genenvervalsing uitgesloten dient te worden.
p) 'Gevaarlijk dier' een dier waarvan mag worden aangenomen dat het vanwege zijn of haar fysieke mogelijkheden (zoals extreme lichaamskracht, giftigheid, doden d.m.v. verwurging of verscheuring), de hormonale fase waarin het dier kan geraken, of om enge andere reden, zoals b.v. zoönosen ernstig lestel kan veroorzaken aan mens en/ of dier.
q) 'Gedeponeerde dieren' dieren die na inbeslagname door de overheid bij een opvangcentrum in bewaring worden gegeven in afwachting van een uitspraak van de rechterlijke macht over wie de rechtmatige eigenaar van het dier is.
r) 'Tijdelijke opvang' onderbrengen van dieren waarvan bij binnenkost vastgesteld wordt dat zij geschikt zijn om binnen afzienbare periode te worden herplaatst of gerepatrieerd.
s) 'Langdurige opvang' dieren die in aanmerking komen voor herplaatsing, maar door externe factoren niet binnen 6 maanden herplaatst kunnen worden.
t) 'Permanent opvangen' het opvangen van dieren die om veterinaire, cosmetische en/ of leeftijdsredenen niet herplaatst of gerepatrieerd kunnen worden.

Art.2 Het huishoudelijk reglement

Het huishoudelijk reglement bevat:

1. De voor intern gebruik tot protocol uitgewerkte regels van deze gedragscode.
2. Organisatiestructuur van de gehele administratieve organisatie. In de administratieve organisatie moet minimaal naar voren komen hoe omgegaan wordt met:
a) Financiële boekhouding
b) Animal accountancy
c) Ziekteregeling
d) Ledenadministratie
e) Milieuboekhouding
f) Indien verplicht: in- en uitslag register
g) Indien bevoegd tot het onder zich hebben van een gif- en/ of sera kast: verbruiksboekhouding hiervan.
3. De volledige uitgewerkte veiligheidsanalyse van het opvangcentrum.

Art. 3 Huisvesting

Een onderscheid in huisvesting wordt gemaakt naar de volgende perioden van opvang:

a) Quarantaine periode
b) Noodopvangperiode
c) Tijdelijke opvangperiode
d) Langdurige opvangperiode
e) Permanente huisvesting
1. De in quarantaine gehouden dieren op het gebied van behuizing, hygiëne en ruimte worden zodanig gehuisvest, dat optimaal rekening wordt gehouden met de minimale eisen voor wat betreft soortspecifieke biologische behoeften.
2. Voor noodopvang dienen de regels aangehouden te worden zoals die gelden voor quarantaine dieren.
3. De tijdelijke op te vangen dieren op het gebied van behuizing, ruimte en hygiëne worden zodanig gehuisvest, dat na de quarantaineperiode optimaal rekening wordt gehouden met de minimale eisen voor wat betreft de soortspecifieke en sociale behoeften en voor zover mogelijk met de ethologische behoeften van het dier.
4. De langdurige op te vangen dieren op het gebied van behuizing, ruimte en hygiëne zodanig worden gehuisvest dat, na de tijdelijke opvang, optimaal rekening wordt gehouden met de minimale eisen voor wat betreft de soortspecifieke biologische, sociale en de ethologische behoeften van het dier.
5. Permanent op te vangen dieren, zie langdurig op te vangen dieren.

Binnen deze gedragscode wordt niet gesproken over een minimale behuizing in grootte voor dieren. Om echter een algehele indruk te krijgen van een mogelijk juist behuizinggrootte wordt verwezen naar de bijvoedsel A en B van 'Dierhouders milieuvergunning plichtig!?'.

Art. 4 verzorging van dieren

1.De voedselvoorzieningen:
a) Het soort voedsel en de samenstelling van het menu dient door deskundigen, te worden geadviseerd en opgesteld. Dit advies is bindend.
b) De hoeveelheid voer per voedering mag niet meer bedragen dan het dier in ëën keer op kan eten, ethologische voeding uitgesloten.
c) Het aantal voederingen per dag wordt bepaald door de soortspecifieke, sociale en ethologische behoeften.
d) Gedurende de gehele dag dient het dier te kunnen beschikken over vers water.
e) Opslag van verse voeders dient gekoeld te geschieden. De temperatuur dient daarbij tussen de 2 en 5 graden Celsius te bedragen. Opslag van het voer en zaden dient in afgesloten containers te gebeuren.
f) De bereiding van de voeders dient in een hygiënische voedselkeuken te gescheiden. Deze ruimte mag niet rechtstreeks in verband staan met de dierenverblijven.
g) De werkplek waar vlees en/of vis verwerkt wordt moet gescheiden zijn van de werkplekken voor het overige verse en /of harde voer.
h) Het aanbieden van het voer dient op hygiënische wijze te geschieden. Niet genoten voedsel dient zo snel mogelijk te worden verwijderd en indien dit tot de categorie vers behoorde, via het daartoe geëigende kanaal te worden afgevoerd.
i) Voedingssupplementen mogen slechts dan worden verstrekt, wanneer voorgeschreven door een veterinair bevoegde.

2. Hygiëne:
a) Dagelijks dienen dag- en nachtverblijven met adequate schoonmaakmiddelen gereinigd te worden.
b) De voedselkeuken dient direct na dagelijks gebruik gereinigd te worden.
c) Na overlijden van een dier dient het volledige verblijf grondig ontsmet te worden, tenzij duidelijk is dat er geen sprake is van een infectueuze ziekte.
d) De omstandigheden in verblijven voedselkeuken dienen zodanig te zijn dat de aanwezigheid van ongedierte, parasieten etc. niet kan voorkomen. Bij constatering van besmetting is onmiddellijk bestrijding geboden.
e) Voor werkzaamheden binnen de quarantaineruimte een apart protocol aanwezig te zijn waarin met name de maatregelen naar voren komen om verspreiding van zoönosen zoveel mogelijk te beperken.
f) De eventuele veterinaire behandelkamer dient na gebruik gereinigd te worden. Medisch afval dient als chemisch afval te worden aangeboden.

Art.5 Veterinaire aspecten

a) Ieder opvangcentrum dient over een eigen Quarantaineruimte te beschikken, die voldoet aan alle hygiënische en veterinaire eisen die noodzakelijk zijn voor een quarantaine periode.
b) In deze quarantaineperiode dienen alle door de wet verplicht gestelde vaccinaties en medische onderzoeken volledig te kunnen worden uitgevoerd.
c) Alle nieuwe binnengekomen dieren aan de bovengenoemde Quarantaineperiode en eisen te worden onderworpen. Soortspecifiek advies van een veterinair is hierbij in beginsel binden.
d) De quarantaineruimte bevindt zich op voldoende afstand - en goed afgeschermd - van de andere dieren in het opvangcentrum, om eventuele besmetting te verkomen.
e) De werkwijze van de betrokken medewerkers dient zodanig te zijn dat het verspreidingsrisico intern en extern geminimaliseerd wordt. De regels hieromtrent zijn vastgelegd in het huishoudelijk reglement.
f) De quarantaineruimtes zijn slechts toegankelijk voor die verzorgers die belast zijn met de verzorging van de in Quarantaine verblijvende dieren.
g) Binnen het protocol 'Quarantaine' dienen alle bovenstaande punten uitvoerig beschreven te worden.

Art.6 Veiligheid voor mens en dier

Op ieder opvangcentrum dient een veiligheidsanalyse aanwezig te zijn., die een integrerend onderdeel uitmaakt van het huishoudelijk reglement.

1. Uit de veiligheidsanalyse dient naar voren te komen:
a) Hoe kan worden voorkomen dat de opgevangen dieren ontsnappen, zichzelf of elkaar verwonden, of dat de dieren door derden iets wordt aangedaan of aan derden iets aandoen.
b) Hoe de dagelijkse werkzaamheden moeten worden verricht in het kader van verzorging van de opgevangen dieren.
c) Waarvan de planologie van het opvangcentrum in opzet te voldoen met betrekking tot zowel de bouw van de verblijven, als de inrichting van het opvangcentrum.
d) Wat de materiaalkeuze en bouwwijze dient te zijn bij de bouw van de verblijven.
e) Hoe inbraak en /of vandalisme vroegtijdig ontdekt tegengegaan kan worden.
2. Er dient een brandpreventie-, een brandbestrijding- en een evacuatieplan in het opvangcentrum aanwezig te zijn.
3. Bij het houden van giftige dieren dient men in het opvangcentrum overeenkomstig de wettelijke verplichtingen te beschikken over een tegengif of hierover binnen de noodzakelijke tijd te kunnen beschikken.
4. Voor een optimale veiligheid van bezoekers dient, indien er gevaarlijke dieren in het opvangcentrum worden gehouden, deskundige begeleiding aanwezig te zijn.
5. Ieder opvangcentrum dient te beschikken over een volledig uitgerust EHBO set volgens de geldende norm.
6. Er dient te allen tijde minimaal één persoon aanwezig te zijn met een geldig EHBO diploma.
7. Er dient gebruik te worden gemaakt van reinigingsmiddelen die geen gevaar opleveren voor mens, dier en/of milieu.
8. De veiligheidseisen dienen een integrerend onderdeel uit te maken van de vigerende milieuvergunning die ieder opvangcentrum dient te hebben.

Art. 7 Registratie (animal accountancy)

Ieder dier dient na binnenkomst van een chip te worden voorzien, met uitzondering van de bij het opvangcentrum gedeponeerde dieren. Gedeponeerde dieren hoeven pas dan van een chip te worden voorzien wanneer de rechter over het eigendomsrecht heeft besloten, het besluit niet zijnde de teruggave van het dier aan de oorspronkelijke eigenaar.

1. Alle bij het dier behorende gegevens, voor zover bekend, dienen correct vastgelegd te worden op een stamkaart.
2. Op de stamkaart dienen de volgende gegevens te staan:
a) De wetenschappelijk en in het dagelijks spraakgebruikte naam van het dier.
b)Indien het dier voorzien is van een chip of merknummer (zoals ringnummers bij vogels): het chip- en merknummer, idem wanneer het dier is voorzien van een tatoeage.
c) De (geschatte) leeftijd.
d) Het geslacht.
e) De herkomst en achtergrond van het dier.
f) De veterinaire gegevens van het dier.
g) De datum van binnenkomst.
h) De datum van vertrek en de plaats van bestemming.
i) Eventueel de datum van overlijden en de doodsoorzaak.
j) Eventueel CITES- nummer.
3. Indien er documenten verplicht zijn overeenkomstig de wet BUDEP, dienen deze desgevraagd aan de bevoegde autoriteiten ter inzage beschikbaar.
4. Ieder van de overeengekomen opvangcentra dient zich te houden aan de opgelegde meldingseisen naar het ministerie in het kader van aan hen toegekende vergunning.

Art. 8 Overleden dieren

a) Overlijdensmeldingen dienen op correcte wijze, zo snel al nodig (zie ontheffingen LASER) te worden gedaan aan de bevoegde instanties.
b) op ieder kadaver van een CITES dier dient sectie te worden verricht.
c) Bij niet-CITES dieren hoeft geen sectie te worden verricht, wanneer de doodsoorzaak bekend is. De doodsoorzaak dient als bewijsstuk te worden in de animal accountancy.
d) Het sectieverslag dient als bewijsstuk te worden toegevoegd aan de animal accountancy.
e) Het kadaver moet c.q. kan na sectie:
1) Aangeboden worden ter vernietiging bij een destructiebedrijf.
2) Afgestaan worden aan de veterinaire wetenschap, met het doel als oefenstuk te dienen voor studenten in opleiding en/ of met het doelen (delen) te preparen voor nader wetenschappelijk, veterinair onderzoek.
3) In emotionele gevallen, ter crematie worden aangeboden aan een dierencrematorium.
f) Preparatie van het dieren, of delen hiervan met andere doelstellingen dan onder e.2 en e.3 genoemd is verboden.

Art. 9 Handel in dieren

Iedere vorm van handel, te weten ruil inkoop, actief verwerven van dieren, of andere transacties waarbij de dieren een tegenwaarde vertegenwoordigen, zowel van levende als dode dieren, dierprodukten en/of delen van dieren is verboden. Afstandsgeld wordt hierin eveneens gezien als handel.

Het vrijwillig afstand doen van dierverblijven en/of anders verzorgingsmiddelen wordt niet als handel gezien, omdat dit preventief kan in het kader van recidive.

Art. 10 Fokken met opgevangen dieren

Fok met opgevangen dieren is verboden, met als uitzondering, de fok met als gevolg van restocking of reïntroduktie, indien dit onder internationaal erkende fokprogramma's.

In alle overige gevallen dient de voortplanting van de opgevangen dieren te allen tijde bewust te worden tegengegaan, zeker in die gevallen waar het gedeponeerde dieren betreft, waarover door de rechter nog geen uitspraak is gedaan.

Art 11 Herplaatsing en repatriëring

1. Herplaatsing van opgevangen dieren:
a) Alleen mogelijk met gedegen vooronderzoek, begeleiding en na-onderzoek naar de ontvangende instanties.
b) Naar particulieren slechts mogelijk in hoge uitzondering en bij gebleken geschiktheid van de ontvanger voor wat betreft de behuizing en kennis van de verzorging toegestaan.
c) Verslagplicht: van iedere herplaatsingcontrole dient een afschrift aan FORCE gezonden te worden.
2. Repatriëring met als gevolg restocking of reïntroduktie is:
Slechts mogelijk na een gedegen onderzoek door instanties, niet noodzakelijk zijnde het opvangcentrum en met toestemming van betrokken overheidsinstanties, in het bijzonder wanneer het reïntroduktie of restocking betreft.
3. Repatriëring naar de klimaatzone van herkomst is:
Naar opvangcentra in het land van herkomst slechts mogelijk na toestemming van betrokken overheidsinstanties.

Art. 12 opnamecriteria

Criteria mogen niet worden gesteld aan de opvang van dieren die binnen de specialisatie van het opvangcentrum vallen, zodat:
a) Het opvangcentrum niet te werk gaat als "Collectie verzamelaar"
b) Het hanteren van een wachtlijst alleen nodig is bij kortstondig tekort aan quarantaineruimte.
c) Aangeboden dieren niet worden geweigerd, tenzij:
1) Er geen of onvoldoende financiële middelen zijn.
2) Binnen het opvangcentrum niet kan worden voldaan aan de sociale en/of ethologische behoeften van het dier.

Art. 13 Plaatsgebrek

Bij plaatsgebrek en het ontbreken van uitbreidings- of doorplaatsingsmogelijkheden dient de federatie FORCE zo spoedig mogelijk op de hoogte te worden gebracht.

Art. 14 Personeel

a) Er dient dagelijks minstens ëën goed opgeleide dierenverzorger dienst te hebben.
b) Er dient tevens voldoende personeel aanwezig te zijn als noodzakelijk is voor een goede verzorging, zoals gesteld in deze gedragscode.
c) In het kader van vrijwilligers dienen de noodzakelijke verzekeringen en toestemmingen te zijn verleend of aangevraagd.
d) Binnen het centrum dient een protocol aanwezig te zijn met betrekking tot de (vervolg-) opleiding voor dierenverzorgers die intern aangeboden wordt. In dit protocol dient aangeven te worden wat de minimale dagelijkse taken zijn en welke verantwoordelijkheden de verschillende type verzorgers hebben. Hierin dient ook aangegeven te zijn wat de kwalificatie "goed opgeleide dierenverzorger" inhoudt. Dit protocol dient deel uit te maken van de fingerende milieuvergunning.

Art. 15 Inspecties en controles

De navolgende inspecteurs dienen te allen tijden toegang te krijgen tot het centrum en wordt relevante informatie geleverd benodigd voor de inspecterend instantie:
1) Het interene controle orgaan van de Federatie FORCE.
2) De bevoegde ministeriële instanties.
3) De bevoegde instanties op het gebied van dierenwelzijn.
4) Het bevoegd gezag van de gemeente of de provincie.

Controles, door interne controle orgaan van FORCE uitgevoerd, zullen in beginsel als confidentieel behandeld worden. Wanneer een wetsovertreding geconstateerd wordt is echter aangifte onvermijdelijk.

Art. 16 Onderzoek

Volledig medewerking moet er worden verleend aan (wetenschappelijk) onderzoek met als doel een bijdrage te leveren aan de kennis omtrent opvang, herplaatsing repatriëring, reïntroduktie en/of restocking van in- en uitheemse diersoorten en in het kader van dierenwelzijn in meest brede zin des woords.

Art. 17 Specialisatie

Mede gezien het feit dat een zo hoog mogelijke graad van professionalisering van opvangcentra noodzakelijk is in het kader van het welzijn van het individuele dier, is specialisatie naar diersoorten verplicht.

1) Het specialisme van een opvangcentrum dient zorgvuldig omschreven te zijn in de milieuvergunning van het centrum, conform de richtlijnen omschreven in artikel 5 van het Inrichtingen en Vergunningenbesluit. Zie hiervoor bijlage 'Dierhouders milieuvergunningspichtig !?' van onze gedragscode.
2) In de opvangdoelstellingen mogen geen diersoorten worden opgenomen die bij andere aangesloten opvangcentra de hoofddoelstelling vormen, tenzij daar vooraf overeenstemming over is bereikt.
3) Wanneer een opvangcentrum slechts ëën soort uit een groep als specialisme verliest, blijft dit specialisme voor derden beschikbaar.
4) Ieder bij de federatie FORCE aangesloten opvangcentrum kan opteren voor het beschikbaar stellen van het centrum in het kader van een hoofdgroep, waarin nog niet voor opvang wordt voorzien.

Art. 18 Noodopvang

Noodopvang betreft opvang buiten het specialisatiegebied van het opvangcentrum. Slechts indien over adequate behuizing geschikt wordt, kan gevolg gegevens worden tot een verzoek tot noodopvang. Noodopvang kan noodzakelijk zijn indien het gespecialiseerde opvangcentrum voor deze diersoorten tijdelijk geen plaats beschikbaar heeft, of in het geval dat in het kader van dierenwelzijn snelheid geboden is. Zodra de mogelijkheid zich voordoet dient de situatie van noodopvang opgeheven te worden.

1) Deze noodopvang dient voor het publiek voor het publiek gesloten te zijn.
2) Het in noodopvang geplaatste dier dient onder toezicht te blijven staan van het in betreffende diersoort gespecialiseerde opvangcentrum.

Art. 19 Educatie en bezoekers

-Educatie
Een opvangcentrum dient in het kader van zijn fondswerving en de bewustwording naar buiten over een educatief programma te beschikken. Dit educatieve programma dient op schrift aanwezig te zijn. Het dierenwelzijn mag nooit ondergeschikt zijn aan het educatieve programma.
-Bezoekers
Het is niet toegestaan geopend te zijn voor (betalende) dagtoeristen. Uitzondering wordt hierbij gemaakt voor donateurs en begunstigers van het centrum. Deze dienen op gezette tijden zoals vermeldt in de fingerende milieuvergunning deel te nemen aan rondleidingen. Het dierenwelzijn mag nooit ondergeschikt zijn aan bezoekersregelingen. Quarantaineruimtes en noodopvang mogen geen onderdeel zijn van de rondleiding. Onder bezoekers worden niet gerekend: Wetenschappers, medewerkers, veterinairen, leveranciers, inspecterende instantie en personen die dieren komen afleveren.

Art. 20 Transport

Ten aanzien van bij het centrum aanwezige logistiek middelen in het kader van diertransporten van de specifieke doelgroep geldt dat:
1. Ieder van de overeengekomen opvangcentra zijn specialistische kennis en logistieke middelen voor diertransporten ter beschikking aan derden stelt, die daar vanwege het welzijn van het individuele dier beroep op kunnen doen.
2. Voor het transport de dan geldende IATA-normen als minimum norm worden gehanteerd.
3. De vrager in beginsel dient te betalen voor te maken kosten rond dit transport.

Art. 21 inventarisatie en verslaglegging

Het jaarverslag van de animal accountancy dient voor 1 maart ingediend te zijn bij FORCE. Het opvangcentrum blijft ten allen tijde zelf verantwoordelijk voor de verslaglegging naar de bevoegde autoriteiten.

1. Deze inventarisatie dient te worden overgedragen aan de Federatie FORCE, zodat deze gegevens centraal beschikbaar zijn.
2. De inventaris dient, voor zover bekend, de volgende gegevens te bevatten (leidend tot een sluitende boekhouding).
a) De officiële wetenschappelijke en in het dagelijkse spraakgebruik gehanteerde naam van ieder opgevangen dier.
b) Het aantal dieren dat op 1 januari aanwezig is, opgesplitst in soort en geslacht.
c) Het aantal dieren dat in de loop van het boekjaar in het opvangcentrum is opgevangen, opgesplitst in soort, geslacht en reden van opvang.
d) Het aantal dieren dat in de loop van het boekjaar vanuit het opvangcentrum is geboren,opgesplitst in soort en geslacht.
e) Het aantal dieren dat in de loop van het boekjaar in het opvangcentrum is gestorven, opgesplitst in soort en geslacht.
g)Tevens vermelde bij ieder dier dient: opname datum, locatie van herkomst, CITES nummer en chip c.q. tatoeage nummer.

Art. 22 Sancties

Bij gerede twijfel over het niet naleven van ëën of meerdere artikelen uit deze gedragscode door een organisatie die zich hiermee wël heeft geconformeerd, zal het controle orgaan van FORCE een intern onderzoek uitvoeren. Bij het in gebreke blijven van het opvangcentrum ten aanzien van een of meerdere van de artikelen van deze gedragscode kan door FORCE een tijdelijke schorsing van dit opvangcentrum worden opgelegd. Deze schorsing kan overgaan in een royement in zeer ernstig gevallen, met name daar waar de wet overtreden wordt.

1. Bij omissies in artikelen waar geen directe wetovertreding mee gemoeid is, zal het interne controle orgaan van FORCE eerste een intern onderzoek instellen, waar eventueel een tijdelijke schorsing uit kan voortvloeien. Tijdens deze tijdelijke schorsing kan de omissie worden hersteld.
2. Tijdelijke schorsing met mogelijk als gevolg een royement, na constateren van een overtreding, zal uitgesproken worden bij overtreding op navolgende artikelen:
-9 handel in dieren
-12 opname criteria
-17 specialisatie
3. Bij omissies in artikelen waar wetovertreding mee gemoeid is zal onmiddellijk overgegaan worden tot tijdelijke schorsing en zal aangifte worden gedaan bij de bevoegde instantie.
4. Een royement zal worden uitgesproken na negatieve gerechtelijk uitspraak en nadat alle lopende deponeringen zijn afgerond, c.q. versneld zijn afgewikkeld.
5. FORCE Legt altijd, publiek en controleerbaar verantwoording af voor sancties.

Art. 23 Wetenschappelijk advies orgaan

Op verzoek kan wetenschappelijk advies ongewonnen bij een door FORCE in te stellen internationaal wetenschaps- en adviesorgaan. Dit betreft alle zaken die onder partijen. Vragen kunnen van eenduidige aard zijn, die vis een netwerk ook beantwoord met een advies. Een advies aanvraag dient schriftelijk te worden ingediend bij de secretaris van net orgaan, waarna deze binnen tien dagen reageert met een bevestiging van ontvangsten en een tijdspanne waarbinnen de afhandeling van het advies te verwachten valt.

Art. 24 Acceptatie en implementatie van de gedragscode

1. Na ondertekening dient het opvangcentrum te voldoen aan de bepalingen zoal in deze gedragscode binnen een door het bestuur van FORCE te bepalen termijn, afhankelijk van de relevante bepalingen, die maximaal bestuursrechtelijk vereist zijn in het kader van het verkrijgen van de relevante vergunningen.

2. In de periode van implementatie van de gedragscode is het opvangcentrum aan aspirant lid van FORCE, met de daarbij behorende rechten en verplichtingen. Afhankelijk van de nog niet Geïmplementeerd artikelen worden de rechten en plichten van het aspirant-lid bepaald door het bestuur van de federatie FORCE.

3. Opvangcentra die de gedragscode van FORCE volledig geïmplementeerd hebben en die goedgekeurd zijn, komen in aanmerking voor het gecertificeerd opnemen van gedeponeerde dieren.