English English
Deutsch Deutsch
Français Français
Visie
Inleiding

De dier-mensrelatie kent een lange geschiedenis die wij hier niet helemaal zullen uitdiepen maar waarvan we toch enige relevante zaken willen aanhalen. Al sinds mensenheugenis werkt de mens in meer of mindere mate samen met het dier of gebruikt de mens het dier. Als ‘zoogdier’ mens claimen wij een stukje vrijheid voor het individuele dier. Dat dit in de loop der tijden er wel eens bij is ingeschoten, is eigenlijk onvermijdelijk. Het is uiteraard ook duidelijk dat verhoudingen en denkwijzen aan veranderingen onderhevig zijn, dus ook die van de verhouding mens-dier. Zo zijn we vanuit het antropocentrisme via antropomorfisme beland in het tijdperk van het biocentrisme. Je zou het kunnen vergelijken met de pendule van een klok. In zijn beweging staat het antropocentrisme uiterst rechts en het biocentrisme uiterst links.

Aan de beide eerste denkwijzen, antropocentrisme en antropomorfisme, ligt macht ten grondslag. Macht die vaak van religieuze origine is. De macht die te allen tijde volhoudt dat de aarde draait om de mens en dat die mens het alleenheerserrecht heeft. Vanuit deze gedachte is het heel normaal om dieren op een wijze te behandelen die in onze ogen dieronwaardig is (antropocentrisme). Via de stap antropomorfisme (het toedichten van menselijke eigenschappen aan dieren) staat daar het andere uiterste tegenover: het biocentrisme. Hierbij zou je kunnen zeggen dat de mens gelijk is aan het dier en dat de mens het dier niet mag belemmeren. Ook hiervoor geldt dat onwetendheid de basis is voor deze denkwijze. Vele mensen vinden het zielig dat een dier in een kooi zit, iets moet doen in opdracht van de mens maar men vergeet dat vrijheid maar een heel beperkt begrip is. Dieren leggen elkaar zowel binnen de soort als tussen de soorten onderling ook continu beperkingen op. Een dier dat in gevangenschap geboren is, weet niet wat vrijheid is. Het gaat altijd om kracht-/machtverhoudingen: het is jagen of gejaagd worden.

Dat we dit als maatschappij niet meer paraat in ons collectief geheugen voor handen hebben, heeft verschillende oorzaken.
In de eerste plaats zijn dat de ontwikkelingen in de media waardoor men de gehele wereld in de huiskamer kan ontvangen. Een andere oorzaak is het beeld dat vooral in circussen lang stand heeft gehouden: de mens moet zich als oppermachtig wezen presenteren. Toen men echter in het circus doorhad dat het publiek moeite kreeg met bepaalde tricks, heeft men deze veelal afgeschaft. De circusondernemingen lieten een trick liever vallen dan dat ze het publiek duidelijk maakten wat er daadwerkelijk gebeurt. Helaas heeft dit meer te maken gehad met niet weten hoe te motiveren dan met luiheid. Mensen in het circus hebben zich nooit gerealiseerd dat het werken met dieren in een circus gezien wordt als een amusementsattractie en nog nauwelijks geaccepteerd wordt en wanneer hetzelfde in een dierentuin gebeurt, dat het dan ineens educatie heet en dat het dan prestige uitstraalt. Kortom, gezien de huidige maatschappelijke denkwijzen heeft men de marketingstrategie in het circus verkeerd opgebouwd.

Wij proberen hierin verandering te brengen en gaan uit van een blanco visie gekoppeld aan de vier ‘why's’ (causaliteit, functie, ontwikkeling en evolutie) zoals opgesteld door Tinbergen. We hebben hiertoe de verschillende diersoorten in drie groepen ingedeeld: de jagers, grazers en de verzamelaars:
  • Jagers leveren een korte intensieve inspanning en vragen dus een bepaalde wijze van benadering wanneer we criteria willen opstellen voor het houden van en werken met deze groep.
  • Grazers vertonen aan de hand van hun fourageerwijze eigenlijk een volledig tegenovergesteld energiepatroon maar er zijn ook overeenkomsten met de jagers. Daar komen we zo op terug.
  • Verzamelaars hebben een erg intensief energiepatroon dat onder alle omstandigheden veel mobiliteit vraagt. Denk maar eens aan de bruine beer die zich van voederplaats naar voederplaats verplaatst: daar waar de trekkende zalmen of de rijpe bessen zijn, is de beer.
De essentiële behoefte van dit aan foerageren gekoppelde loopgedrag is één van de centrale vragen bij het opstellen van criteria voor huisvesting van dieren in gevangenschap. Daarnaast speelt het een belangrijke rol bij het bepalen van de criteria voor de minimaal te bieden inspanning. Ons inziens is het zo dat de jagers, dat wil dus zeggen onder andere de katachtige roofdieren, van nature lui zijn (lees echter: erg voorzichtig om blessures te voorkomen). Dat wil zeggen dat zij wanneer ze niets voor hun voedsel hoeven te doen, zij dat prefereren boven de inspanning van de jacht. Het is een ontwikkeling van hun foerageergedrag. Binnen de gevangenschapsituatie, waarin deze dieren zich over het algemeen al generaties bevinden, weten deze dieren ook niet beter. Zij zijn de jacht en vooral de kill verleerd. De jacht is verworden tot een spelletje.
Je zou hetzelfde kunnen zeggen voor de grazers. Grazers gebruiken veel energie door hun gedrag gekoppeld aan het foerageren. Wanneer je grazers echter voedsel op één plek aanbiedt, zal je moeten constateren dat ook deze groep van nature lui is.

Je zou aan de hand van deze conclusie kunnen stellen dat wanneer je de dieren voorziet van hun primaire behoeften, je volstaat in hun verzorging. Toch zullen er bij deze benadering problemen ontstaan. Niet alleen fysiek maar ook geestelijk en dan vooral bij dieren met een hoog cognitief vermogen. En dat zijn nu juist de dieren die geschikt zijn om mee te werken.
Een dier heeft met name in zijn jeugd, net zo als het zoogdier mens, de nodige fysieke inspanning nodig om het lichaam te ontwikkelen. Ook in latere stadia zal beweging essentieel zijn om het lichaam in een goede conditie te houden. Dit maakt het dus noodzakelijk om de dieren de nodige prikkels te geven om tot activiteit over te gaan. Vooral bij roofdieren is dit essentieel. Maar evengoed zul je de grazers binnen gevangenschap moeten aanzetten tot activiteit om gestoord gedrag te voorkomen. Je zult moeten handelen om hen te leren leven met de beperkingen en het ‘zinvol’ invullen van de tijd. De dieren houden ten slotte ‘tijd’ over doordat het deel van de inspanning binnen hun gedragspatroon rondom het foerageren gering is: de mens voorziet het voedsel immers in hapklare brokken.
De activiteitsintensiteit die middels het werk geboden kan worden is altijd kort in verband met de mogelijke concentratie-inspanning van beide groepen. Ook moet je per groep en soort en uiteindelijk per individu bepalen wat de behoefte is. In eerste instantie splitsen we daartoe de twee groepen weer op in de jagers en de grazers.
De jagers leveren vanuit hun natuur zoals gesteld een korte maar intensieve inspanning. Binnen het werken met dieren in een circus zijn dus de dagelijkse voorstellingen van ongeveer 10 minuten een goede mogelijkheid voor de dieren om hun energie kwijt te raken en de nodige prikkels te ontvangen. Het is intensief in te richten en kort. Dit kan zelfs zijn weerslag vinden in de ruimte waarin de dieren gehuisvest kunnen worden. Binnen hun natuurlijke gedragspatroon is het deel rustgedrag (inclusief slaap) het meest intensief uitgeoefende. Grofweg zo'n 20 uur per etmaal. Dit maakt dat de behuizing van deze dieren gebaseerd moet worden op andere criteria.
De grazers die van nature veel inspanning leveren om aan hun voedsel te komen moeten in gevangenschap ook gecompenseerd worden in activiteit om hun fysieke gezondheid op peil te houden. Paddockhuisvesting of weidegang in combinatie met gespreid voeren, zowel in tijd als in ruimte. Ook deze dieren zullen echter geprikkeld moeten worden om tot de benodigde extra activiteit te komen. De criteria voor de behuizing behoeven ook hier een hele nieuwe kijk op de zaken.

Tot slot de verzamelaars. Deze groep is een heel aparte daar hun wijze van foerageren intensief en langdurig is. Deze dieren, met name bruine beren, hebben dus erg veel aandacht nodig en hebben daarbij nog eens een zeer korte concentratieboog. Het houden van en werken met deze dieren vergt dus een geheel andere aanpak. Een aanpak die naar onze mening in een circus niet gegeven kan worden: deze dieren zijn volgens ons dan ook niet geschikt voor het werk in de piste.

Het huisvesten van dieren in ruimtes vergelijkbaar met hun natuurlijke habitat is, zoals mag blijken uit bovenstaande, niet noodzakelijk. Slechts de mens als toeschouwer zal hiermee gepaaid worden. Los van het feit dat het niet mogelijk is om een dier in gevangenschap een remplaçant te geven voor hun natuurlijke omgeving. Het dier zal het immers niet als zodanig herkennen. Om te herkennen moet het dier het gezien/meegemaakt hebben. Daarmee rijst direct de grote vraag hoe dergelijk criteria dan wel opgesteld moeten worden.

Het is algemeen breed aanvaard om binnen het kader welzijn de vijf vrijheden te hanteren:
  1. Vrij van dorst, honger en onjuiste voeding.
  2. Vrij van fysiek en thermaal ongerief.
  3. Vrij van pijn, verwonding en ziektes.
  4. Vrij van angst en chronische stress.
  5. Vrij om hun natuurlijke gedrag te vertonen.
Het zijn voor mensen die vanuit het welzijn voor dieren denken eigenlijk standaardzaken en voor dierhouders geldt over het algemeen hetzelfde. Met name de eerste drie vrijheden zijn relatief eenvoudig en objectief in te vullen. Maar dienen wel gewaarborgd te zijn! Binnen onze visie moet dit allemaal omschreven worden in protocollen. De vierde vrijheid is ook vanzelfsprekend maar al minder makkelijk objectief te beoordelen en te voorzien van algemene criteria. Huisvestingsmaten hebben hier erg veel invloed op. Ook de vijfde vrijheid is op sommige vlakken op het eerste oog eenvoudig in te vullen, kijk naar de mogelijkheid om te zwemmen of te klimmen voor dieren die dat van nature doen. Maar welke natuurlijke gedragingen vallen nu onder behoeften en onder noodzakelijk gedrag en welke niet? Erg belangrijk zijn natuurlijk ook de individuele eigenschappen van een dier. Algemeen moet je dieren die van nature in sociaal verband leven, sociaal houden en dieren die solitair leven, solitair. Maar de gevangenschapsituatie is in die zin dus niet vergelijkbaar met de wilde situatie. Je moet o.i. binnen het welzijnskader te allen tijde durven afwijken van de standaardnorm indien dat bij een individueel dier noodzakelijk is. (zie voor vervolg uitwerking filosofie werken met dieren)